Ontdekkingsreis

Tijdens de vijfdaagse schrijfchallenge Droomschrijven (gegeven door Jantien van Driel) kreeg ik de opdracht: Schrijf over je innerlijke ontdekkingsreiziger. 
Dit is een verslag van wat ik tijdens de afdaling in mezelf tegenkwam

Ik druk mijn handen tegen elkaar, de welving van mijn duimen leg ik zachtjes tegen mijn voorhoofd en ik sluit mijn ogen. Met een lange zucht zak ik weg in mijn geheugen.

De tijd rolt zich van achter naar voren uit. Ik zie de derde dag in mijn leven dat mijn wereldperspectief kantelde en omsloeg. Dan volgt de tweede dag. In een diep ravijn, liggen de restanten als monumenten. Ik zak verder tot ik bij het eerste moment kom waarop mijn leefwereld drastisch veranderde.

Vanuit een warme en omsloten baarmoeder word ik door gehandschoende handen de wereld in getrokken. Een koude lucht doet mijn lijfje trillen. Felle lampen en rumoer overspoelen me. De levenslijn naar mijn veilig plek wordt doorgeknipt. Geen weg terug. Ik word op de borst van mijn moeder gelegd en herken haar hartslag. Haar lichaamswarmte en tranen troosten me en bieden mij een nieuw thuis. Hoewel ik mijn cocon mis, leer ik houden van mijn nieuwe plek. Ik houd er zelfs zoveel van, dat ik het nooit meer kwijt wil raken. De geborgenheid van dit gezin, met twee liefhebbende ouders en een fantastische broer, geven mij de ruimte om te ontwikkelen. Het is er veilig en ik krijg een plek om liefde te ontvangen en te geven.

Twaalf jaar, twee maanden en negenentwintig dagen later begint mijn leven te trillen op zijn grondvesten. Het begint zachtjes, maar als baarweeën wordt het heftiger en heftiger, om te exploderen en te eindigen in doodse stilte. Mijn levenslijn was me al ontnomen, nu ben ik mijn moeder kwijt. Voor de tweede keer word ik een andere leefwereld in gesleurd, een waar ik niet wil zijn. Net zoals de eerste keer word ik liefhebbend tegen borsten aangedrukt. Maar ze kunnen de kou niet verdrijven. Rond mijn hart zal het lange tijd rond het vriespunt blijven.

Een leven zonder zon went. Je maakt er het beste van en komt erachter dat je meer aan kunt dat je vooraf kon vermoeden. Hoewel mijn zon, correctie onze zon, gedoofd is leer ik dat de zon van anderen kan reflecteren en ik zo een zonnestraaltje mee kan pikken. Het wordt lichter en ik zie een wereld die ik nooit eerder zag. Ik ben incompleet, maar er zijn meer mensen met pijn. Ze hebben duistere wolken om zich heen. Sommigen vechten er wanhopig tegen, anderen lijken de pijn te omarmen als een deel van zichzelf. Ik besluit de plek waar mijn moeder ooit straalde te koesteren en het met mijn eigen lichtje beschermen tegen de donkere vergetelheid. Ik hoef het niet alleen te doen en zo vind ik mijn weg in de wereld van halfwezen.

Ik ontdek tijdens deze afdalingsreis dat ik het ongelofelijk getroffen heb. Als ouders nieren zouden zijn, ben ik gezegend met een sterke tweede oudernier die alle taken van de weggevallene overneemt; mij helpt om groot te groeien. Echter is mijn lichaam, het schip waarmee ik mijn reis onderneem, zwak en het loopt op de klippen. Als zeventienjarige lig ik wederom in gehandschoende handen. Mijn licht is niet veel meer dan een waakvlammetje. Hoe vastberaden en voorzichtig mijn familie, vrienden en professionals ook proberen om mijn licht weer te laten schijnen, ik ben de enige die er weer leven in kan blazen. Het is een moeizame strijd die ik ogenschijnlijk niet kan winnen, maar wel aan wil gaan. Mijn schip valt niet te repareren, dus maak ik er een handkar van. Jaren van ploeteren en zwoegen kruipen voorbij. Hernieuwd vertrouwen in mijn lichaam is nodig om me weer thuis te kunnen voelen. Ik vervolg mijn weg; verlicht door mij eigen schijnsel en dat van de mensen die met me op lopen.